error code: 522error code: 522 Cat 1 – Focus on Integrity

Cat 1

Tussentijds opzegbeding in beëindigingsovereenkomst: recht op WW?

De Werkloosheidswet bepaalt dat bij beëindiging met wederzijds goedvinden van een tijdelijke arbeidsovereenkomst, zonder dat een tussentijds opzegbeding is opgenomen, de werknemer geen recht heeft op een WW-uitkering. De rechtbank Amsterdam heeft recent geoordeeld dat in een beëindigingsovereenkomst alsnog een tussentijds opzegbeding kan worden opgenomen. Op die manier kan de werknemer zijn recht op een WW-uitkering behouden. Dit is een nieuwe ontwikkeling voor de praktijk.

De feiten

De werknemer was sinds 6 mei 2019 in dienst bij de werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 6 juni 2020). Partijen hebben tijdens de arbeidsovereenkomst een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 31 december 2019. In de arbeidsovereenkomst was in eerste instantie geen tussentijds opzegbeding opgenomen. Bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst zijn partijen alsnog een opzegbeding overeengekomen. De werknemer heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft de aanvraag afgekeurd, omdat de werknemer tot 6 juni 2020 een arbeidsovereenkomst heeft die niet tussentijds kan worden opgezegd. Volgens het UWV heeft de werknemer op grond van art. 19 lid 4 Werkloosheidswet bij beëindiging met wederzijds goedvinden van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, zonder tussentijds opzegbeding, pas recht op een WW-uitkering na 6 juni 2020.

Continue Reading

By

Meer

Geen copy-paste in stoelendans: nieuwe functie moet echt anders zijn

Bij een reorganisatie mag een werkgever in principe niet zelf bepalen welke werknemer voor ontslag in aanmerking komt; er kan niet worden geselecteerd op basis van kwaliteit. De werkgever is namelijk gebonden aan het afspiegelingsbeginsel

Bij een reorganisatie mag een werkgever in principe niet zelf bepalen welke werknemer voor ontslag in aanmerking komt; er kan niet worden geselecteerd op basis van kwaliteit. De werkgever is namelijk gebonden aan het afspiegelingsbeginsel. Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel worden werknemers met vergelijkbare (“uitwisselbare”) functies ingedeeld in leeftijdsgroepen. Binnen elke leeftijdsgroep wordt gekeken naar degenen die het meest recent in dienst zijn genomen, en zij komen als eerste voor ontslag in aanmerking. Wanneer een werkgever echter besluit om een functie volledig te schrappen (dus alle werknemers in een bepaalde functie worden boventallig) en in plaats daarvan een  nieuwe functie creëert (of meerdere), dan kan de werkgever wél werknemers selecteren op basis van kwaliteit. De boventallige werknemers kunnen solliciteren op de nieuwe functie(s); de werkgever kan zelf selecteren welke werknemer(s) hij geschikt vindt voor de nieuwe functie, op basis van objectieve criteria. Deze manier van reorganiseren wordt ook wel de ‘stoelendans methode’ genoemd. Het voordeel hiervan is dat de werkgever in principe niet is gebonden aan het afspiegelingsbeginsel en dus kan selecteren op kwaliteit. Wel zijn strenge voorwaarden aan deze methode verbonden. Het UWV toetst namelijk of de nieuwe functies genoeg verschillen ten opzichte van de vervallen functies. Indien de functies teveel op elkaar lijken en daardoor uitwisselbaar zijn, dan is het afspiegelingbeginsel van toepassing; de stoelendans methode is dan ten onrechte toegepast, met als gevolg dat het UWV de ontslagvergunning weigert. Dit speelde bij een recente zaak van het hof van Amsterdam waarbij een werkgever op zijn vingers werd getikt omdat de functies, aldus het hof, wél uitwisselbaar waren en dus het afspiegelingsbeginsel had moeten worden toegepast (zie: hof Amsterdam 28 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:515). In deze blog zetten wij een aantal handvatten op een rij waaruit blijkt of een nieuwe functie uitwisselbaar is of niet.

MEER

By

Meer

× Close